Taaltoestanden bij de Brusselse rechtbanken

Verzonden op: 17-04-2002

Verzonden door: Herman De Mulder 03 366 18 50

Aantal keren gelezen: 31

VLAAMSE VOLKSBEWEGING

PERSCONFERENTIE 17.04.2002-05-01

HET WETSONTWERP VERWILGHEN EN DE TAALTOESTANDEN BIJ DE BRUSSELSE RECHTBANKEN.

Een front van van Vlaamse verenigingen, de Vlaamse Volksbeweging (VVB), de Vlaamse Juristenvereniging (VJV), het Verbond der Vlaamse Academici (VVA), het Vlaams Economisch Verbond (VEV)– Comité Brussel, het Vlaams Komitee Brussel (VKB) en het Vlaams Pleitgenootschap, volgt met aandacht de recente ontwikkelingen inzake de taaltoestanden bij de Brusselse rechtbanken.

Genoemde verenigingen kanten zich tegen het wetsontwerp nr 836 met betrekking tot de toegevoegde rechters, dat binnenkort in de federale Kamer wordt besproken. Gezien in het kader van de maatschappelijke en economische realiteit van een tweetalige stad als Brussel, vinden ze elke verzwakking van de tweetaligheidsvereisten voor magistraten een fout signaal.

Bekommerd om de meest elementaire rechten van iedere burger in dit land, en bezorgd over de strikte naleving van de taalwet in Brussel – toch de Vlaamse hoofdstad – roepen ze de Vlaamse Kamerleden op om het wetsontwerp Verwilghen, in de vorm zoals het nu voorligt, zeker niet goed te keuren.

Indien het wetsontwerp worde goedgekeurd, komt de Vlaamse rechtzoekende in de Brusselse rechtbanken terecht in een situatie die vergelijkbaar is met die op het einde van de negentiende of begin twintigste eeuw. Dit is sociaal, juridisch en economisch onaanvaardbaar.

Guido Moons, algemeen voorzitter VVB.

==============

Hieronder vindt u - elementen voor een standpunt - de brief aan de parlementsleden over dit onderwerp

==============

Elementen voor een standpunt

1. Taalevenwichten in het Brusselse gerecht

Volgens de taalwet in gerechtszaken (wet van 15 mei 1935) moet in de rechtbank van eerste aanleg, de arbeidsrechtbank en de rechtbank van koophandel in Brussel minstens een derde van de magistraten een Nederlandstalig en minstens een derde een Franstalig diploma hebben. De uiteindelijke verhouding tussen beide taalrollen wordt voor iedere rechtbank vastgesteld op basis van elementen die verwijzen naar de verhouding tussen de in beide talen behandelde zaken.

Daarenboven dient twee derden van de Brusselse magistraten blijk te geven van kennis van de andere landstaal. Deze “tweetaligheid” heeft geen gevolgen voor de praktische beroepsactiviteit van de magistraten (die, op de vrede- en politierechters na, enkel zaken in de taal van het eigen diploma mogen behandelen), maar is bedoeld om kennis te nemen van stukken en getuigenissen. In beginsel zou het taalexamen dat de “kennis van de andere landstaal” onderzoekt dus navenant dienen te zijn. In de praktijk blijkt het taalexamen echter een struikelblok voor vele kandidaten, van beide taalrollen. Er is dus een grote praktische moeilijkheid om het vereiste aantal “tweetalige” magistraten te vinden.

2. Het probleem van de gerechtelijke achterstand

De lange duur van de procedures voor de Brusselse rechtbanken is onderhand spreekwoordelijk geworden. Hoewel het hier om een reëel probleem gaat, zou het toch al te eenvoudig zijn te beweren dat er een onmiddellijke oorzaak-gevolgrelatie bestaat tussen de taalproblematiek en de gerechtelijke achterstand in de hoofdstad.

Toch is dat het semi-officiële standpunt aan Franstalige kant, dat echter op verschillende manieren moet worden genuanceerd.

Vooreerst is de gerechtelijke achterstand geenszins een louter Brussels fenomeen. Vele arrondissementen worden met een aanmerkelijke achterstand geconfronteerd, die onder meer te maken heeft met de algemene rechtscultuur van ons land (met bijvoorbeeld verhoudingsgewijs haast vijfmaal zoveel procedures in hoger beroep als in Nederland).

Toch kan men niet ontkennen dat het probleem in Brussel groter is dan elders. Dit heeft onder meer te maken met de hoofdstedelijke rol van de stad: vele bedrijven hebben hun hoofdzetel in Brussel, hetzelfde geldt voor vele besturen (federaal of deelstatelijk). Dit brengt vanzelfsprekend een bijkomende proceslast met zich mee.

Het Franstalige standpunt (dat weliswaar feitelijk fout is, maar gretig wordt overgenomen door een aantal Nederlandstalige media) gaat uit van een eenvoudige redenering: er is een gebrek aan tweetalige magistraten in Brussel, én er is gerechtelijke achterstand in Brussel, dus zouden alle problemen opgelost worden door meer Franstalige rechters zonder kennis van de Nederlandse taal te benoemen. Deze redenering wordt vaak verdedigd met een verwijzing naar de cijfers 90F:10N. Deze cijfers slaan echter niet op de totale proceslast van het Brusselse gerecht, maar enkel naar de correctionele zaken. In de rechtbank van koophandel, bijvoorbeeld, zou de verdeling 55F:45N zijn. Globaal kan men ervan uitgaan dat een 66F:33N verhouding in de buurt van de werkelijkheid ligt.

3. Pogingen tot oplossing

Sinds de invoering van artikel 86 bis van het Gerechtelijk Wetboek in februari 1998 proberen de opeenvolgende ministers van justitie de problematiek van de achterstand te verzachten door de zogenaamde “toegevoegde rechters”. Deze mobiele krachten worden niet aan een bepaalde rechtbank verbonden, maar worden benoemd in het rechtsgebied van een bepaalde hof van beroep of arbeidshof. Zo zal een toegevoegd rechter in het rechtsgebied van het Hof van Beroep van Antwerpen, naargelang de noodwendigheden van de dienst, kunnen optreden in Hasselt, Tongeren, Turnhout, Mechelen of Antwerpen zelf. Deze onzekerheid over de standplaats van de toegevoegde rechters wordt geconfronteerd met een jaarlijkse weddetoeslag.

Deze rechters “buiten het normale kader” kunnen in beginsel maximaal een versterking van 10% voor het normale kader betekenen. Het voorstel van minister Verwilghen wil echter van deze regel afwijken voor het rechtsgebied van het Hof van Beroep van Brussel, waar maximaal 25% toegevoegde rechters welkom zouden zijn. Het wekt enigszins argwaan dat dit kwart op enkele cijfers na overeenkomst met het huidige aantal vacante betrekkingen bij de rechtbank van eerste aanleg te Brussel.

De grootste steen des aanstoots is echter de onduidelijke draagwijdte van het concept “buiten het normale kader”. Zeker ten tijde van de invoering van artikel 86 bis werd er aardig gediscussieerd over de toepasbaarheid van de taalwetgeving in gerechtszaken op deze toegevoegde magistraten. Geldt de regel 1/3, 1/3, 2/3 ook voor de toegevoegde rechters in de rechtbank van Brussel ? Voor de Vlamingen was dat wel het geval. Franstalige stemmen oordeelden dan weer dat de toegevoegde rechters werden benoemd bij het Hof van Beroep, en dus niet bij de rechtbank van Brussel, zodat deze regel niet op hen kon worden toegepast.

Het ontwerp-Verwilghen heeft minstens het voordeel van de duidelijkheid: de taalwet zal niet van toepassing zijn op de toegevoegde rechters, die enkel op basis van de “behoeften van de dienst” over de taalrollen zullen worden verdeeld. Deze behoeften van de dienst zullen mede bepaald worden door “externe deskundigen”.

4. Kritiek

Op het eerste gezicht klinkt het hoegenaamd niet onredelijk de “behoeften van de dienst” te laten primeren in de organisatie van een rechtbank. Ook rechtbanken dienen immers een goede dienstverlening aan de burger na te streven.

De zaak is echter niet zo onschuldig als ze lijkt. Wat zijn “behoeften van de dienst” ? Moet men kijken naar het aantal zaken dat wordt ingeleid ? Of naar het aantal vonnissen ? Of past het een weging door te voeren volgens de duur van de procedures ? Of volgens de moeilijkheidsgraad ? Het spreekt voor zich dat deze onduidelijkheid niet bevorderlijk is voor de rechtszekerheid.

Daarenboven verwijt men het ontwerp-Verwilghen dat het een fout signaal geeft: de toegevoegde rechters hebben immers recht op een weddetoeslag, die in de praktijk een “premie voor niet-tweetaligheid” dreigt te worden.

Ook mag men niet vergeten dat ook toegevoegde rechters volwaardige magistraten zijn, die voor het leven worden benoemd. Door toegevoegde rechters te benoemen die niet beantwoorden aan de vereisten van de taalwetgeving, vereeuwigt men het probleem: een vijftigtal magistraten die niet tweetalig zijn zullen na verloop van tijd een vaste benoeming moeten krijgen (de toegevoegde rechters zijn immers een “tijdelijke en buitengewone maatregel”), wellicht bij voorkeur in Brussel.

Ten slotte is de toepassing van het criterium “behoeften van de dienst”, zoals vervat in het ontwerp-Verwilghen, een aanleiding voor perverse effecten. Niemand weet immers hoe deze “behoeften” zullen evolueren. Gezien de stabiliteit van magistratenbenoemingen, dreigen aanstellingen op basis van de actuele behoeften na enkele jaren achterhaald te zijn door de feiten. Daarenboven kan deze werkwijze leiden tot nieuwe vormen van achterstand: een benoeming van (bijvoorbeeld) te veel Franstalige magistraten, in combinatie met een toename van het aantal Nederlandstalige zaken, zal ertoe leiden dat er achterstand groeit in de Nederlandstalige dossiers, zodat wie er belang bij heeft zijn zaak snel te laten behandelen, er ook voor zal kiezen ze in het Frans te laten behandelen. Dit zal dan weer een argument zijn om bijkomende Franstalige rechters te benoemen, zodat deze werkwijze alle kenmerken van een self fulfilling prophecy gaat vertonen.

5. Verdere stappen

In Franstalige middens maakt men er overigens geen geheim van dat het ontwerp-Verwilghen maar een eerste stap is: (voorlopig) einddoel is het geheel onderuit halen van de taalwetgeving in gerechtszaken, door een veralgemening van een benoeming op basis van de “behoeften van de dienst”.

Daarenboven zou gestreefd worden naar een radicale vereenvoudiging van het taalexamen voor magistraten, dat tot een lachertje zou worden gereduceerd. Dit kan gebeuren door een eenvoudig koninklijk besluit, dus zonder tussenkomst van het parlement.

Wie echter de Brusselse juridische wereld wat kent, weet dat ook deze werkwijze nefast dreigt te zijn: hoewel het taalexamen momenteel kunstmatig moeilijk wordt gehouden om als breekijzer te dienen in het dossier van de taalwetgeving, is een omgekeerd exces al evenmin goed te keuren. Vele dossiers bevatten immers stukken in beide talen, zodat een gedegen kennis van de andere landstaal onontbeerlijk blijft in het licht van de correcte rechtsbedeling in de hoofdstad.

Ter zijde kan men zich trouwens de vraag stellen of er geen eenvoudige uitweg bestaat uit de ergste problemen: het afscheid nemen van de regel dat elke rechter enkel zaken in de taal van het eigen diploma mag behandelen. Waarom zou een voortreffelijk tweetalig rechter niet in beide talen kunnen vonnissen ? Vrederechters en rechters in kort geding doet dit trouwens reeds, zonder dat dit aanleiding geeft tot oeverloze taaldiscussies.

6. Besluit

In de maatschappelijke en economische realiteit van een tweetalige stad als Brussel is een verzwakking van de tweetaligheidsvereisten voor magistraten een ronduit fout signaal. Het optreden van minister Verwilghen is dan ook rechtstreeks bedreigend voor de kwaliteit van de rechtsbedeling in de hoofdstad en gaat in tegen de belangen van alle rechtzoekenden, Nederlands- en Franstalig, particulieren of bedrijven. Zijn de belangen van een Franstalige camarilla voor de minister misschien zwaarwegender dan die van de rechtzoekende, de eerste belanghebbende van zijn departement ?

==============

OPEN BRIEF AAN DE PARLEMENTSLEDEN

Brussel-Berchem, 12 april 2002

Geachte heer/mevrouw,

Betreft: wetsontwerp nr 836 met betrekking tot de toegevoegde rechters

Met dit schrijven vragen de ondertekenende verenigingen uw aandacht voor de onaanvaardbare gevolgen van wetsontwerp nr 836 met betrekking tot de toegevoegde rechters. Genoemd voorstel tast immers de taalwetgeving in gerechtszaken ernstig aan.

De taalwet in gerechtszaken van 15 mei 1935 bepaalt dat minstens een derde van de magistraten een Nederlandstalig en minstens een derde een Franstalig diploma dient te bezitten. Twee derden van de magistraten dienen blijk te geven van kennis van de andere landstaal. Hoewel dit vereiste jarenlang geen onoverkomelijke problemen leek te stellen, moet worden geconstateerd dat sinds geruime tijd het taalexamen op een dergelijke wijze wordt georganiseerd, dat dit voor velen een onoverkomelijke horde betekent. Gevolg is een structureel ontbreken van tweetalige magistraten in functie.

Naast de hoofdstedelijke rol van Brussel speelt dit element zeker mee in de verklaring van de gerechtelijke achterstand in de hoofdstad, hoewel dit fenomeen ook in andere arrondissementen een spijtige realiteit is.

In Franstalige kringen lijkt er een ruime consensus te bestaan over een mogelijke oplossing voor het probleem van de gerechtelijke achterstad: zich neerleggen bij de feitelijke situatie en meer eentalig-Franse magistraten benoemen. Het is echter de vraag of deze werkwijze wel beantwoordt aan het doel dat hiervoor naar voren wordt geschoven, namelijk het verbeteren van de (juridische) dienstverlening aan de burger. Toch gaat wetsontwerp nr 836 net uit van deze vereenvoudigende en pertinent foute benadering van de problematiek.

Op de werkwijze van het ontwerp, dat voortbouwt op artikel 86 bis van het Gerechtelijk Wetboek, dat sinds februari 1998 toelaat het normale kader met een maximum van 10% toegevoegde rechters te versterken, is ernstige kritiek noodzakelijk.

1. De toegevoegde rechters zijn weliswaar benoemd voor het leven, maar hebben geen vaste standplaats. Om dit ongemak te compenseren, krijgen zij een weddetoeslag. Door deze toeslag te combineren met het buitenspel zetten van de taalvereisten voor de toegevoegde rechters, dreigt deze toeslag een “eentaligheidspremie“ te worden; 2. Er bestaat hoegenaamd geen duidelijkheid over de criteria aan de hand waarvan de “externe deskundigen”, waarvan sprake in het ontwerp, zullen bepalen of er aanleiding bestaat tot het optrekken van de bovengrens van het aantal toegevoegde rechters tot 25% van het huidige kader. Dit opent de deur voor willekeur en politieke spelletjes; 3. Het is duidelijk de bedoeling van wetsontwerp nr 836 om in Brussel bijkomende Franstalige magistraten te benoemen. Dit gegeven staat in contrast met de feitelijke evolutie in de hoofdstad, waar de jongste jaren net het aantal Nederlandstalige zaken aan het groeien is. Men krijgt de stellige indruk dat dit ontwerp onder meer tot doel heeft deze evolutie een halt toe te roepen of zelfs om te keren; 4. De toegevoegde rechters zijn hoe dan ook benoemd voor het leven, en dienen dus na verloop van tijd een vaste standplaats te krijgen. Rekening houdende met de bekende cijfergegevens (uitbreiding van het aantal toegevoegden in Brussel tot 54, aantal rechters in het eentalige Nijvel), kan dit enkel betekenen dat na enkele jaren zal moeten worden overgegaan tot definitieve benoemingen van eentalige rechters bij de Brusselse rechtbanken. Op deze manier wordt de scheeftrekking van de taalverhoudingen in de magistratuur bestendigd.

De ondertekenende verenigingen kunnen zich niet van de indruk ontdoen dat niet ernstig werd gezocht naar een constructieve oplossing voor het probleem van de gerechtelijke achterstand. Het zou bijzonder treurig zijn, indien bleek dat ontwerp nr 836 niet werd opgesteld om een reëel probleem van een oplossing te voorzien, maar om een vooraf bepaald politiek doel (namelijk het onderuit halen van de taalwetgeving) te bereiken onder het mom van verbeterde dienstverlening aan de burger.

Zonder de pretentie te hebben de ultieme oplossing voor dit probleem bij de hand te hebben, vragen de ondertekenende verenigingen zich af of terdege werd nagedacht over de volgende mogelijke elementen van een oplossing:

1. Het ontlasten van de hoofdstedelijke rechtbanken, door een wijziging van het gerechtelijk wetboek die toelaat een vennootschap te dagvaarden in het arrondissement van haar exploitatiezetel en een overheid te dagvaarden in elk arrondissement waarover zij bevoegd is; 2. Het wegwerken van de achterstand in Franstalige zaken door tijdelijke inzet van tweetalige magistraten met een Nederlandstalig diploma toe te laten; 3. Het aanmoedigen van tweetaligheid door een betere verloning van tweetalige magistraten, een betere vorming en een correct examen.

In zijn huidige vorm is ontwerp nr 836 echter even onvoldragen als inefficiënt, en bijgevolg onaanvaardbaar. Dit ontwerp kan om de bovenvermelde redenen niet beschouwd worden als een constructieve bijdragen tot een oplossing van het achterstandsprobleem, maar dient doelstellingen van louter communautair-politieke aard. Het schaadt niet enkel de belangen van deze of gene Gemeenschap, maar van iedere rechtzoekende, in het bijzonder van de Brusselse rechtzoekende.

Om deze redenen vragen wij u rekening te willen houden met onze fundamentele bezwaren en het ontwerp nr 836 niet goed te keuren, wanneer het ter stemming zal worden voorgelegd.

Met oprechte hoogachting,

Voor het VEV-comité Brussel Voor het Vlaams Pleitgenootschap

Voor de Vlaamse Volksbeweging Voor het Verbond der Vlaamse Academici

Voor de Vlaamse Juristenvereniging

Terug naar overzicht