In de kijker

Grondvest

Het Mysterie van de Transfers
25-5-2015



Wanneer de transferdiscussie in de Vlaamse - en Belgische - politiek de kop opsteekt, dan was dat tot voor enkele jaren steevast naar aanleiding van een studie van een onderzoeksinstelling, verbonden aan een grote bank, een werkgeversorganisatie of een universiteit. Kers op de taart: zo’n studie zorgde onveranderlijk voor grote koppen in de kranten en bedroeg steeds een ‘nieuw’ totaal (astronomisch) transferbedrag. Her en der volgden dan wat politieke reacties en even snel als de storm opstak, ging hij ook altijd weer liggen. De bestelde studies naar de omvang van de geldstromen behelsden steeds een onderzoek naar de unieke kenmerken van het fiscale samenstelling van België. Grote bedrijven die overwegen te investeren in België willen immers graag weten hoe het land in elkaar steekt en in welk landsdeel het naar verhouding het interessantst is om zich te vestigen. Waar zijn de werkkrachten het productiefst, waar betaal je de meeste nettobelastingen, enzovoorts.

Sinds enkele jaren is er beterschap, zonder dat de transferdiscussie daarmee tot het verleden behoort, integendeel. In 2004 bestelde de Vlaamse overheid zelf de zogenaamde ABAFIM-studie, die  uitkwam op het jaarlijkse bedrag van een slordige 11 miljard euro Vlaamse afdrachten. Het kostte nog even tijd, maar vanwege bewindslui en de Vlaamse overheid groeide sinds dit onderzoek geleidelijk de interesse in de politieke hefboom van de voortdurende geldstroom voor broodnodige sociaaleconomische hervormingen. Er brak immers een crisisperiode aan die, naar het zich al snel liet aanzien, niet zomaar op 1, 2, 3 achter de rug zou zijn. Politicoloog Bart Maddens suggereerde dat Vlaanderen zich zou opstellen als ‘demandeur de rien’. Het transferverhaal paste perfect in de tijdsgeest, met een eis om de afdrachten in kaart te brengen en er resultaatsverbintenissen aan vast te koppelen. Heel recent sprak minister-president Geert Bourgeois zich uit voor een nieuw transferonderzoek, dat extra licht in de nog schemerduistere hoekjes van de transferpot zou moeten brengen. De vraag is maar of de rekeningen eindelijk zullen kloppen, want het lijkt er ernstig op dat zich alleen maar nieuwe transfers zullen laten optekenen. Als Bourgeois (N-VA) de daad bij het woord voegt, dan lijkt het er in elk geval sterk op dat een fase in het transferdebat ten einde loopt.

We kunnen alvast twee fases als min of meer afgerond beschouwen en er inmiddels een derde in het vooruitzicht stellen. Een aandachtig toeschouwer kan het begin van het transferdebat traceren tot de eerste studies van de Leuvense Economen en de KBC in de jaren tachtig en negentig van vorige eeuw (eerste fase). Vooral Paul Van Rompuy (KULeuven) speelde hier een pioniersrol. De bedragen liepen danig uit elkaar, maar ze waren baanbrekend omdat ze aantoonden dat van een ‘juste retour’ geen sprake was: Vlaanderen wordt op geen enkele manier beloond voor de belastingopbrengsten die bij ons worden opgehaald. Het begrip van de Waalse bodemloze putten geraakte ingeburgerd, al wist niemand hoe diep ze wel niet zouden kunnen zijn. Na de eeuwwisseling vallen dan de studies van VOKA-VEV en het Vlaams Belang op, die bedragen van respectievelijk 10 en 11,21 miljard euro vooropstellen. Later stelt het Vlaams Belang de overdrachten bij tot 12,68 miljard, terwijl de N-VA het voorlopig houdt bij zo’n 8 miljard euro. Niettemin convergeren de cijfers steeds meer (tweede fase); verschillen tussen de studies zitten voortaan vooral nog in de zogenaamde transferkanalen: wie neemt welke transferbron in rekening? De drukkingsgroep AK-VSZ, die vooral werkt rond de geldstroom in de sociale zekerheid en haar berekent op minstens 4 miljard, eigent zich in de discussie een belangrijke voortrekkersrol toe.

 

Pro memorie: het is ondertussen gangbaar om vier grote luiken te onderscheiden in de interregionale geldstromen: de sociale zekerheid, de federale begroting, de financiering van de Gewesten en Gemeenschappen en de interestlasten op de staatsschuld. Niet alle studies brachten de staatsschuld in rekening. Het was wachten op de integratie van verschillende studies (o.m. N-VA, VIVES en Denkgroep ‘In de Warande’) om het totale transferbedrag op 12 miljard euro te begroten. De VVB sluit zich hierbij aan en hanteert dit bedrag als vuistregel. De consensus rond de totaalsom groeit overigens gestaag. Belgisch georiënteerde academici - zoals professor Bea Cantillon (UA) - en Waalse onderzoeksinstellingen (CERPE e.a.) volgen traag maar zeker in hun erkenning van de transferrealiteit. De geest lijkt daarmee uit de fles. Bij hen is vooral de vraag aan de orde hoe de kwaliteit van het Belgisch federalisme te lijden heeft onder de transfers.

Enerzijds is er dus eindelijk overeenstemming over de grootteorde van de middelenstroom die Vlaanderen verlaat en over de manier om haar in kaart te brengen. Hetzelfde VIVES schatte de transfers in 2012 nog wel op 16 miljard euro, maar dat was te wijten aan het primair budgetoverschot dat Vlaanderen boekte (terwijl Wallonië opnieuw een tekort boekte), waardoor het dus meer staatsschuld mocht betalen.

De betere methodologie raamt de totale afdracht nu dus op 12 miljard. Toch geeft dit te denken. Immers, nieuwe studies, zoals in het vooruitzicht gesteld door onze minister-president, zullen door de bril en de focus waarmee ze naar die 12 miljard kijken en haar al dan niet zoeken te bevestigen, meer en meer zogenaamde ‘verdoken transfers’ aan de oppervlakte brengen. Wat het transferbedrag opnieuw in beweging zou kunnen brengen. Een veronderstelde daling van de transfers onder invloed van de crisis en het besparingsbeleid zal dan al snel van voorbijgaande aard blijken te zijn. De totaalbedragen zullen de komende jaren dus steeds verder naar boven dienen te worden bijgesteld, eenvoudig door de fijnmazigheid van nieuw onderzoek.

Enkele voorbeelden van verdoken of verborgen transfers: de contingentering van artsen en tandartsen, de NMBS, wachtuitkeringen en leeflonen. Vaak gaat het om scheeftrekkingen die het gewicht van al aanvaarde transferkanalen, zoals de sociale zekerheid, de komende jaren alleen maar verder zullen vergroten. Hiermee treedt het transferdebat een derde, ontluisterende fase in. De vraag zal onvermijdelijk opdoemen in welke mate de geldstromen hoegenaamd transparanter kunnen worden gemaakt of gekoppeld kunnen worden aan hypothetische ijkpunten van Waals beterschap. Het lijkt er heel sterk op dat de derde fase van de transferhistorie zal uitwijzen dat België in feite één grote transfermachine is. Wat de VVB altijd heeft geweten of minstens vermoed. Onafhankelijkheid van Vlaanderen lijkt zo het enige resterende breekijzer om het debat over de voorwaarden voor solidariteit met Wallonië - in welke vorm dan ook - te helpen opengooien.
Terug naar overzicht