In de kijker

Kalender

Geen Activiteiten

Grondvest

Kan bij Jan Peumans het hoge woord eruit? Van ons mág het
7-7-2016
 


11 juli = Vlaamse feestdag = toespraken van gestelde en andere lichamen, wat wil zeggen van Vlaamse hoogwaardigheidsbekleders en van voorzitters van het rijke Vlaamse verenigingsleven. Heel binnenkort zal u er hier zeker een 11 julitoespraak van VVB-voorzitter Bart De Valck op kunnen naslaan. Nog even wachten. Inmiddels is het een nuttig en zinvol tijdverdrijf om een aantal toespraken uit het recente verleden van Jan Peumans tegen het licht te houden. De voorzitter van het Vlaams Parlement verzorgt die traditiegetrouw op 11 juli in de Gotische Zaal van het Brusselse stadhuis, in gezelschap van de politieke en maatschappelijke fine fleur van Vlaanderen en van het meest nabije (Wallonië, Nederland) en wat verdere buitenland (bv. Duitsland, Catalonië). De toespraken van Vlaanderens ‘Eerste Burger’ zijn in meer dan een opzicht bijzonder lezenswaardig. Ze zijn heel stemmig en onderhoudend van teneur, nooit te lang en leveren steeds een staalkaart van de politieke actualiteit van het moment. Die politieke actualiteit is er een van ontbolstering van de Vlaamse natie en van ontrafeling van de Belgische staat, zoals hij het vorig jaar (2015) nog welbespraakt stelde in zijn feestrede.

De stofzuiger blijft (nog) in de kast

Lezenswaardig dus en ronduit interessant, Peumans’ toespraken. Boeiend is ook wat níet in de toespraken staat, het antwoord dat níet komt op de vraag die de aandachtige toehoorder of lezer van Peumans op de lippen brandt. De afgelopen vijf jaar is steeds de spanning tussen uitbouw van Vlaanderen en afbouw van het federale België onderhuids aanwezig. Jan Peumans verwijst ernaar, maar benoemt nooit dat het ene (die ontbolstering) en het andere (de rafels van de ontrafeling) elkaar in de weg blijven zitten. Een stofzuiger om komaf te maken met de rafels komt er in de redevoeringen van Peumans nooit aan te pas. Langs de neus weg zou iemand kunnen opmerken dat de aanwezigheid in het Brusselse stadhuis van iemand namens een ander ‘gesteld lichaam’, het Hof, daar wel eens voor iets zou kunnen tussenzitten. Maar daarvoor sparen Peumans’ toespraken de heilige huisjes niet genoeg. Klinkt het niet, dan botst het maar. En da’s oké. Maar op die moeilijke vraag hoe België en Vlaanderen elkaar in de weg zitten, komt geen antwoord. Het publiek blijft op zijn honger.

In 2010 was Jan Peumans nog optimistisch gestemd. De liberalen hadden de stekker uit de federale regering getrokken en blijkbaar was Franstalig België nu toch overtuigd om samen met de Vlamingen werk te maken van een grote staatshervorming: “De jongste weken zijn er verscheidene verklaringen van Waalse zijde om zich niet meer te verzetten tegen een grondige hervorming van de staat. (…) Er is duidelijk wat aan het bewegen in Wallonië.” De Belgische politiek stond toen nog maar aan het begin van wat een lange mars van 541 dagen zouden worden naar de regering-Di Rupo I, die een zesde staatshervorming zou bezegelen met een aantal historische Vlaamse toegevingen. Achteraf bekeken, heeft de Franstalige politieke wereld de kwestie-BHV gewiekst uitgespeeld om Wallonië en Brussel een strategisch bondgenootschap te laten sluiten tégen Vlaanderen. De bereidheid van PS, cdH en MR om mee te gaan in institutionele hervormingen was zes jaar geleden goed uitgekiend. Maar in 2010 klonk het bij monde van Jan Peumans nog: “We moeten komen tot een contract tussen de twee grote gemeenschappen. Dat samenlevingscontract moet de rechten en de plichten - waaronder ook de mechanismen van solidariteit - op een zeer transparante manier beschrijven.” Zo’n contract veronderstelt een wit blad om van te beginnen, maar daartoe zou Franstalig België nooit bereid zijn/blijken.

Vlaanderen en België bij elkaar op schoot

Maken we een sprongetje en grasduinen we in de toespraak van de voorzitter van het Vlaams Parlement uit 2013. Met het Vlinderakkoord is de zesde staatshervorming dan al beklonken, maar de uitvoering is maar nauwelijks van wal gestoken. Gered door de gong, zo moet Jan Peumans gedacht hebben, want het Vlaams Parlement mocht in december 2011 veertig kaarsjes uitblazen. Een excellente reden om het maar met een grote omtrekkende beweging over politiek en actualiteit te hebben, namelijk via een exposé over de kwaliteit van decreetgevend werk en over kwaliteiten (ja, meervoud) waarop Vlaamse volksvertegenwoordigers moeten kunnen bogen: visie, taalvaardigheid, intelligentie en een open blik op Vlaanderen en de wereld. Toegegeven, het gaat ook over de autonomie en de internationale rol van het Vlaams Parlement, maar geen woord over het gezag dat het Vlaams Parlement zou moeten ontlenen aan zijn soevereiniteit. In plaats daarvan spreekt Peumans uitvoerig over autoriteit. Autoriteit die het Vlaams Parlement onttrekt aan de legitimiteit van de besluiten van de Vlaamse Regering. Dat dit evenwel niet minder of niet meer gebeurt dan namens een natie, een volk, lijkt het eigen parlement te veel armslag te geven. Dus even op de rem staan. Nee, Vlaanderen dreigt België’s rechtmatige bestaan niet in de weg te zitten, want: “Wanneer bijvoorbeeld aan de regio’s binnen een lidstaat fiscale autonomie wordt toegekend, zullen binnen die lidstaat verschillende fiscale regimes - territoriaal - naast elkaar bestaan, zonder dat dit Europeesrechtelijk tot de vaststelling van een verboden discriminatie leidt.” Oef: er is geen kans op een existentiële keuze tussen Vlaanderen en België. Overheden kunnen een eigen dynamiek ontwikkelen en elkaar zelfs overlappen. In zijn speech geeft hij wel ruiterlijk toe: “Vlaanderen zal op 1 juli 2014 in uitvoering van de zesde staatshervorming een aantal nieuwe bevoegdheden krijgen. (…) De uitdaging is des te groter omdat de financiële middelen die nodig zijn om deze bevoegdheden naar behoren uit te oefenen, niet voor de volle honderd procent mee overkomen.” Wie betaalt de rekening?

2014 dan. Honderd jaar Grote Oorlog. Natuurlijk een thema om bij stil te staan. De tragedie van de loopgraven, in het bijzonder in de Westhoek, betekende de geboorte van de politieke Vlaamse Beweging. Als Vlaming gelouterd door die ervaring, geeft de spreker ons mee: “Dat is mijn wens aan u allen op deze Vlaamse feestdag. Dat Vlaanderen blijft groeien. Niet alleen in de breedte met de nieuwe bevoegdheden van de zesde staatshervorming. Maar ook in de diepte: als een relevante actor in de wereld die niet alleen als slagveld, maar ook door zijn fundamentele inzet voor vrede en veiligheid de aandacht trekt.” Een spanningsveld dat Jan Peumans optekent, is, net zoals het jaar ervoor, de moeilijke oefening om het beschikbare budget in overeenstemming te brengen met de nieuwe Vlaamse bevoegdheden. Er zijn politieke, ideologische en zelfs morele keuzes aan de orde. Welk Vlaanderen willen wij? Peumans: “Hoe wil Vlaanderen bijvoorbeeld die nieuwe bevoegdheden invullen zonder dat er bepaalde categorieën van burgers uit de boot vallen, zonder dat de armoede in Vlaanderen toeneemt?” De existentiële keuze dient zich echter ook in deze 11 julitoespraak niet aan: met of zonder België? Natuurlijk kan Jan Peumans de onafhankelijkheid van Vlaanderen niet ter plekke uitroepen, dat beklemtoonde hij overigens al in zijn speech van 2010. Dat België en Vlaanderen elkaar hinderen, dat Vlaanderen blijkbaar onmogelijk nog langer zijn ‘draai’ kan vinden in België, alle staatshervormingen ten spijt, is nochtans een inzicht dat wél zijn weg zou kunnen vinden naar een officiële redevoering op de Vlaamse feestdag. Zeker van Jan Peumans, die zichzelf graag betitelt als ‘Wallonië-minnaar’, neemt iedereen toch graag en grif aan dat twee soevereine republieken, Vlaanderen en Wallonië, met elkaar in uitstekend nabuurschap zouden kunnen leven?

Voor wanneer het hoge woord, Jan?

Overigens verdedigde zijn partijgenoot en voormalig VVB-politiek secretaris Peter De Roover, thans N-VA-fractievoorzitter in de federale Kamer, in 2013 op een VVB-colloquium al de stelling dat Vlaanderen in feite “te groot” is voor België. Wat Peter De Roover, al even eloquent als Jan Peumans, in feite deed, was op die manier de onontkoombaarheid van Vlaamse onafhankelijkheid aantonen. Wel, die ‘onontkoombaarheid’ zou voor Jan Peumans, zeker de ontwikkelingen elders in Europa (Catalonië en Schotland) in acht genomen, een volmaakt veilige manier kunnen zijn om een lans te breken voor ‘onafhankelijk nabuurschap’ (i.p.v. Copernicaanse omwentelingen of confederale holle dozen). Het is maar een suggestie. Opmerkelijk: in 2015 vallen op 11 juli bij monde van Jan Peumans forse begrippen te beluisteren als “kunstmatig land”. Hij ziet dat evenwel vooral historisch en beperkt zich ertoe om het voor het hier-en-nu te houden op: “In het verleden werden bij de centrale overheid veelal die beleidsdomeinen weggehaald waarover geen consensus meer bereikt werd. De bevoegdheden werden ad hoc verdeeld, met de bedoeling de spanningen op het federale niveau weg te werken. Dat is bij de laatste staatshervorming ook weer gebeurd en telkens bevat zo’n akkoord de kiem voor nieuwe dubbelzinnigheden.” QED (‘Quod erat demonstrandum’ - ‘wat diende te worden aangetoond’), vooral dan als Jan Peumans - Wallonië-minnaar! - de Naamse CERPE-studie vermeldt, die de interregionale geldstroom wég uit Vlaanderen - de transfers - becijfert op een slordige 7,8 miljard euro.

Moet er dus nog zand zijn? Eén: aan alle analyses is voldaan. Sinds jaar en dag, trouwens. Twee: de setting is die van een 11 julitoespraak, zij het vanwege een ‘gesteld lichaam’. Er zit in zo’n context op een redevoering wel voldoende ‘rek’, dus waarom niet eindelijk een opmaat voor een stappenplan naar een onafhankelijk Vlaanderen vanwege de voorzitter van het Vlaams Parlement? Het lijkt, in tijden van institutionele ijstijd, een extravagantie die Vlaanderen zich wel mag toestaan voor het aanhalen van de communautaire buikriem. De tijden zijn vervuld. Aan Jan Peumans, met plezier, de eer om het hoge woord te laten ontsnappen. Nog eens ‘oef’, maar dan helemaal anders.

Terug naar overzicht