In de kijker

Kalender

Geen Activiteiten

Grondvest

Barrières voor Vlaamse geneeskundigen. Wallonië heeft er geen last van.
10-8-2015
 

 

“Sommige geneeskundigen zijn meer gelijk dan anderen.”

Tot voor kort was Nederland het land van de numerus fixus in een aantal opleidingen van het hoger onderwijs. Door loting werd bepaald wie aan zo een opleiding kon beginnen en wie niet. Op die manier werd jaar na jaar het contingent afgestudeerden in bepaalde populaire disciplines - bijvoorbeeld geneeskunde - stevig in de hand gehouden. Sinds vorig jaar gooit het Nederlandse onderwijsbeleid het roer (bijna) volledig om. De numerus fixus - ‘numerus clausus’ zeggen we hier in Vlaanderen - blijft als zodanig bestaan, maar er wordt de facto komaf gemaakt met de loting. Die werd al gewogen in overeenstemming met geleverde studieprestaties op de middelbare school ('voortgezet onderwijs' heet dat benoorden Wuustwezel). Wie betere cijfers had behaald, maakte meer kans. Nochtans zal in de toekomst meer aandacht moeten gaan naar vooropleiding en attitude, naast goede eindexamens op school. Wie op al deze factoren goed scoort, kan toegelaten worden tot een numerusfixusopleiding. Het zou ideaal zijn, zo vindt het Nederlandse onderwijsbeleid, moest loting op die manier voorgoed tot het verleden behoren. En als loting niet meer hoeft, kan de numerus fixus eindelijk worden losgelaten. Er hoeft dan geen ‘contingentering’ meer te zijn van jonge mensen die overlopen van enthousiasme voor een studierichting en een beroepsveld, maar door een speling van het lot gefnuikt worden in hun ambitie.

Geneeskunde: Vlaanderen versus Nederland

In het federale België is de Vlaamse Gemeenschap bevoegd voor hoger onderwijs en bestaat er geen numerus fixus. Er is, sinds 1997, wel een toelatingsexamen voor de opleiding tot arts of tandarts. De keuze voor een toelatingsproef is een heel andere manier om de instroom van een beroep te beperken dan een numerus fixus (of clausus). De meeste Vlamingen vinden het voor een maatschappelijk erg belangrijk beroep als arts niet onlogisch dat sterk de nadruk ligt op de kwaliteit van de opleiding en dus, zo wordt geredeneerd, op de bekwaamheid van de student die de opleiding aanvat. Ook in Vlaanderen is wel eens wat te doen over het protectionisme van bepaalde beroepsgroepen, zoals de artsen met hun verschillende syndicaten. Maar over het algemeen ademt de idee van een toelatingsbeperking zonder meer, zoals voorheen in Nederland, meer de afscherming uit van verworven rechten dan een toelatingsproef. Vreemd dat het zelfbenoemde 'gidsland' Nederland zo lang de piste heeft gevolgd van de numerus fixus. En vreemd dat in Vlaanderen allerlei beroepsgroepen zo fel van leer trekken indien hen zelfbediening wordt verweten (al dan niet terecht) en dat bijvoorbeeld de artsen dan meteen verwijzen naar het relatief ‘faire’ systeem van de toelatingsproef. Ze gaan daarmee echter vlotjes voorbij aan het heel aparte statuut dat de artsenopleiding in Vlaanderen heeft. Er is geen enkele andere discipline die de toegang tot haar opleiding aan verschillende universiteiten regelt middels een examen.

Voor de goede orde: de impact op de instroom van kandidaat-studenten van dit gegeven (dus: op alle mogelijke opleidingen is er welgeteld één waar je pas kan starten ná een goed afgelegd examen) kan niet worden onderschat, iets wat de Vlaamse artsen maar al te goed weten. Het examen schrikt meer af dan strikt nodig. Er worden inmiddels ook ballonnetjes opgelaten over toelatingsproeven voor andere disciplines, bijvoorbeeld de ingenieurswetenschappen, maar minister van Onderwijs Crevits (CD&V) houdt voorlopig de boot af en is veeleer voorstander van een niet-bindende ijkingstoetsen, dus oriënterende tests. In Nederland meldt zowat een derde van de studenten zich aan voor een numerusfixusopleiding. Wie in eigen land niet bij de schare gelukkigen is, kijkt al eens over de heg en onderzoekt de mogelijkheden om in Vlaanderen te starten. Tot nu toe neemt Vlaanderen de Nederlanders die het hier proberen voor lief - overigens maken die ook vaak de transfer omdat in Vlaanderen overwegend in het Nederlands wordt gedoceerd (wat prima is; voldoen aan de taalvoorwaarden is, naast een bekwaamheidsproef voor hogere kunstopleidingen en dus de richting arts/tandarts de enige beperking in Vlaanderen van een rechtstreekse toegang tot relevante bacheloropleidingen). Nederlandse kandidaat-studenten geneeskunde of tandheelkunde moeten evengoed een examen afleggen als de Vlamingen. En, belangrijker, keren in regel terug naar het noorden om in Nederland aan de slag te gaan.

Contingentering: de ‘Fédération’ versus Vlaanderen

En het is bij dit laatste dat de communautaire kat op de koord komt. Want we hebben het tot nu toe gehad over de - in rechte en in feite beperkte - toelatingsvoorwaarden die het Vlaamse hoger onderwijs hanteert. In Wallonië, ook bevoegd via de Franse Gemeenschap voor zijn eigen onderwijs, liggen de kaarten gans anders. Daar bestaat géén toelatingsexamen noch een numerus clausus voor de studie van arts of tandarts, hoogstens is er na het openingssemester van het eerste jaar een schifting van wie helemaal geen kans maakt. Wel, merkwaardigerwijs, is er bezuiden de taalgrens sprake van een toelatingsproef tot de ingenieursstudies (toegegeven: dat bestond eertijds ook in Vlaanderen, maar is afgeschaft wegens te ‘elitair’). In de taal van Molière klinkt het aan de UCL heel lijzig: “L’inscription à l’examen d’admission aux études de bachelier ingénieur civil est un droit, et l’UCL, comme les 3 autres facultés polytechniques de la Fédération Wallonie-Bruxelles, se réjouit de voir un grand nombre de jeunes présenter cet examen.” Maar dus niet voor wie ‘medicijnen’ wil gaan studeren. Het gevolg is dat er jaarlijks grote cohortes studenten afstuderen met allemaal een diploma in de geneeskunde op zak. Zij komen terecht in allerlei medische beroepen, maar zijn niet allemaal zeker van een RIZIV-nummer, wat nodig is om zich als zelfstandige arts of tandarts te vestigen.

Nu, sinds 1997 - het jaar van de instelling van de Vlaamse toegangsproef - is er een 60/40-verdeling afgesproken van de RIZIV-nummers om geleidelijk de historische oververtegenwoordiging van Franstaligen in het artsenberoep ongedaan te maken. Van bij aanvang heeft Franstalig België geijverd om wat zij als een toegeving zagen opnieuw ongedaan te maken. Jaar na jaar lieten Franstalige politici een voorafname toe van het hen wettelijk toegekende contingent (zonder ingreep oplopend tot een overtal van 2.000!), nog versterkt door een KB van PS’ster Onkelinx die alle Franstalige afgestudeerden een RIZIV-nummer ‘light’ toekende, dat door de huidige liberale minister van Volksgezondheid Maggie De Block dreigt te worden geregulariseerd. De afgesproken ‘communautaire diepvries’ verhindert dat met de bevoegdheid over de organisatie van het eigen onderwijs (sinds 1980) ook de RIZIV-nummers eindelijk zouden verhuizen richting deelstaten. Inmiddels dreigt het aantal medische prestaties per capita in Wallonië en Brussel, maar ook Vlaanderen (Franstalige geneesheren kunnen zich vrij vestigen in Vlaanderen) op te lopen, wat onrechtstreeks buitengewoon slecht is voor de kwaliteit van de uitgeoefende geneeskunde zelf. Naast een financiële transfer naar Wallonië ‘verlatijnst’ de geneeskundige praktijk dus, ook in Vlaanderen.

 

Het moge duidelijk zijn waarom we deze bijdrage begonnen met een Nederlandse excursie. Lang was Nederland het land van vrijheid-blijheid en van een egalitaire opvatting van democratisering. Maar daar wordt nu even rigoureus op teruggekomen als dat men daar eerst de slinger heeft laten doorslaan (en in een aantal opzichten nog laat doorslaan, kijk maar naar de verregaande verengelsing van Nederlandse universiteiten en hogescholen). In Vlaanderen wordt er gerekend en geteld, niet zozeer in centen - dat dichten we eerder de Nederlanders toe -, maar in macht, invloed en aanzien. Vlamingen vinden al die dingen best wel belangrijk, maar het mag niet gezegd worden en dus doen we er schijnheilig over en blijven we steken in de relatieve anonimiteit en ondoorgrondelijkheid van de aloude Belgische corporatistische besluitvorming. Wat  niet goed is voor ons universitair onderwijs in de eenentwintigste eeuw, wat niet goed is voor een moderne geneeskunde in Vlaanderen en wat, tot slot maar niet in het minst, ook al helemaal niet goed is voor een beleid dat de Vlaams-Waalse geldstromen in de ziekteverzekering zou terugdringen. Laten we niet vergeten dat de zesde staatshervorming weliswaar voor 4,2 miljard euro deelbevoegdheden in de ziekteverzekering defederaliseerde, maar dat meer dan 20 miljard federaal blijft en dat vooral aan de terugbetaling van medische en paramedische zorgen niet geraakt wordt. Dat blijft ‘Belgisch’. Inmiddels blijft Wallonië zijn zonen en dochters uitzenden om de medische overconsumptie vooral niet te beperken. Voorstellen her en der om bijvoorbeeld verplichte doktersbriefjes in een aantal gevallen af te schaffen om zo het beslag op RIZIV te verlichten, blijft op die manier dweilen met de kraan open. Wanneer Vlaanderen de riem aanhaalt om minder en betere dokters te leveren is het normaal dat Wallonië hetzelfde doet, niet in het minst omdat de kwaliteit van onze geneesheren van zo'n groot belang is.

 

Terug naar overzicht