In de kijker

Grondvest

Plan B: de feiten (2)
19-1-2016
 

In de vorige bijdrage gingen we in op de Fédération Wallonie-Bruxelles en de vurige wens van Franstalige Brusselaars en Waalse politici om een corridor, onder welke vorm dan ook, tussen beide landsdelen te realiseren. Maar ook het in de zesde staatshervorming bezegelde principe van een ‘metropolitane gemeenschap’ voor de hoofdstad, een soort superarrondissement dat Vlaams- en Waals-Brabant opnieuw verenigt (na hun bestuurlijke scheiding in 1993!), past in de uitvoering van Plan B. Inmiddels moet het Brussels Hoofdstedelijk Gewest verder worden versterkt, zodat het deels op eigen houtje uit de Vlaamse ‘omsingeling’ kan breken en zich kan verenigen met Wallonië.

(a) De Brusselse Metropolitane Gemeenschap (BMG)

Het principe van de BMG is een wel heel zure vrucht van de zesde staatshervorming ofte Vlinderakkoord. Tot deze BMG zullen van rechtswege álle Vlaams- en Waals-Brabantse gemeenten moeten toetreden. Dit “très grand Bruxelles de l’avenir” werd door toenmalig cdH-voorzitster Joëlle Milquet voorgesteld als “le désenclavement de Bruxelles” en door de MR als een Bruxelles élargie (augustus 2011).

Vlaams minister-president Geert Bourgeois houdt inmiddels de BMG-boot wel heel erg af. Op zich prima. Het standpunt van de Vlaamse Regering blijft ongewijzigd, zelfs toen in juni 2015 details van een BMG-plan-Vervoort (Brussels minister-president, PS) werden bekend gemaakt. Het Vlaams standpunt over wat voor een BMG hoegenaamd mogelijk zou kunnen zijn:

  • enkel met de Gewesten, geen Gemeenschappen;
  • overleg in de schoot van een BMG niet anders dan multilateraal, dus op voet van gelijkheid tussen de Gewesten;
  • steeds binnen het speelveld afgebakend door de bijzondere wetgever;
  • geen eigen structuren voor een BMG.

Het plan-Vervoort gaat veel verder. Details zijn onder andere via een artikel van de Franstalige politiek denktank Crisp bekend geworden. Het Franstalige plan voorziet een grote autonome beslissingsbevoegdheid voor de BMG. Zo bestaat er een reëel risico op een autonome institutionele dynamiek van de BMG, die steeds voor nieuwe, eigen bevoegdheden zal ijveren.

 

(b) Parking C: een vooruitgeschoven post van de BMG

Heel netjes hebben we tot nu gesproken over ‘het principe’ van de BMG. Want, zo stelden we net, de Vlamingen hebben weliswaar toegegeven aan de komst van de BMG, maar ze zetten heel erg de rem op de armslag en de gedaante van deze nieuwe overlegstructuur, die Franstalig België nochtans graag wil uitbreiden tot bestuursstructuur en dat op slinkse wijze nu al probeert.

Eén van de pistes waarmee de strategie van het voldongen feit wordt geïntroduceerd is het getouwtrek rond Parking C te Grimbergen (Vlaanderen!). Dit stuk van de Heizelvlakte gaat in reconversie en er zou een nieuw nationaal voetbalstadion verrijzen. Deel van dit reusachtige complex zou onder meer kantoorruimte zijn waarin Brusselse overheidsdiensten zouden worden ondergebracht, wat een inbreuk betekent op de bestuurlijke integriteit van Vlaanderen.

Het spreekt voor zich dat dit een eerste antecedent (een ‘fait accompli’) vormt om later, bij het uiteenvallen van de federale staat, de territoriale integriteit van de Gewesten sterk te relativeren. Kleinste gemeen veelvoud bij onduidelijkheid, ‘flou’, is dan de in een communautair akkoord ooit bezegelde Brusselse Metropolitane Gemeenschap. Want vergeet het niet: de internationale gemeenschap zal naar kapstokken zoeken om op een snelle manier stabiliteit te garanderen in het staatsopvolgende proces door Vlaanderen en Wallonië. De verboden vrucht Brussel - want inmiddels, ook al met Vlaamse instemming, voorzien van constitutieve autonomie - zal een toekomst krijgen in overeenstemming met het internationaal recht én met de internationale rol die de stad wil spelen. Een superarrondissement zoals de BMG helpt perfect om die uitstraling en die ambities in te vullen. Daarmee is evenwel een confederatie of staatkundige vereniging met Wallonië onvermijdelijk.

(c) De ‘vergemeenschappelijking’ van Brussel

Een voorlopig laatste puzzelstukje om een goed beeld van Plan B te krijgen, zijn de onverdroten inspanningen van Brusselse politici om gemeenschapsbevoegdheden te verkrijgen voor de hoofdstad, bijvoorbeeld inzake onderwijs, welzijn, enzovoorts. Heel politiek correct verstoppen zij hun ijver voor deze ‘persoongebonden’ bevoegdheden achter een verhaal over de sociaaleconomische en demografische ‘superdiversiteit’ van het Hoofdstedelijk Gewest. We kunnen ons eerst en vooral de vraag stellen hoe Brussel dit zou moeten financieren, maar zolang het federale België werkt op basis van een dotatiestelsel, is dit een vals probleem.

Het is er de Franstalige Brusselaars namelijk niet echt om te doen om autonomie te krijgen op hetzelfde niveau van Vlaanderen en Wallonië. Hun politici weten goed genoeg dat Brussel nooit als één van de opvolgerstaten van België zal worden erkend. Ofwel krijgt het vraagstuk-Brussel een oplossing als deel van een Vlaamse republiek, ofwel komt er een aansluiting van Brussel bij Wallonië tot stand. De ijver voor gemeenschapsbevoegdheden moet daarom vooral strategisch worden begrepen. Zonder overdrijven kunnen we deze zetten op het bord interpreteren als een poging om Vlaams-Brabant plat te drukken - als de inhoud van een sandwich - tussen Wallonië en een beleidsmatig beter toegerust Brussel. Van verschillende kanten oefenen Wallonië en Brussel op die manier vergelijkbare sociaaleconomische druk uit op hun omgeving. Multilaterale overlegrondes tussen de Gewesten volstaan al om die impact in de Rand voelbaar te maken. De BMG is er het speciaal ontworpen forum voor. De taalkundige voorrechten, de faciliteiten, worden voortaan aangevuld met een aanbodpolitiek vanuit Wallonië én Brussel.

Dus: wie heeft in feite wie omsingeld? Wie een adequaat antwoord kan geven op deze vraag, heeft meteen een zicht op wie de beste kaarten in handen heeft bij de ontbinding van het federale België. Laat ons in elk geval besluiten dat het antwoord op dit ogenblik, sinds het Vlinderakkoord, wel heel genuanceerd is. Vlaamse mensen die uitkijken naar staatkundige onafhankelijkheid voor Vlaanderen hebben behoorlijk gemengde gevoelens bij het verloop en de resultaten van een staatsvormend proces in de nabije of wat verdere toekomst.

In het zogenaamde ‘Sainte-Emilie’-akkoord (september 2013) kwamen vier Franstalige partijvoorzitters overeen om het beleid van Wallonië en Brussel op mekaar af te stemmen wat betreft (in het kader van de zesde staatshervorming overgedragen) bevoegdheden inzake sociale zekerheid (bijvoorbeeld kinderbijslag). Het is heel duidelijk dat Brussel daarmee zijn boekje van klassieke gewestbevoegdheden te buiten gaat. Anti-Vlaams wegpestbeleid vult dit naadloos aan; zo worden, onder het mom van een Brussels-Waalse schaalvergroting, Vlaamse kinderbijslagfondsen gemarginaliseerd en geneutraliseerd.

Ondertussen richt Brussel nieuwe agentschappen op om de overgehevelde overheidstaken uit te voeren en lapt men daarbij vrolijk de taalwetgeving en haar praktijk, zoals gecontroleerd door de Vaste Commissie voor Taaltoezicht, aan zijn laars. Die praktijk zegt namelijk dat nieuw opgerichte diensten met een 50-50-verdeling moeten starten, dat wil zeggen de helft Nederlandstaligen en de helft Franstaligen. Wanneer er meer zicht is op de taalrol van de verschillende behandelde dossiers, dan kan dit taalkader overeenkomstig worden aangepast. De Brusselaars willen evenwel meteen met de ooit in de coulissen van de macht afgesproken politieke verdeelsleutel 75-25 werken, omdat zij van oordeel zijn dat de Vlamingen zich moeten schikken in de nu al uitgetekende post-Belgische toekomst van Brussel. Ze - de Vlamingen - moeten zich daarbij beperken tot de privileges (25% van de jobs is al een forse overwaardering, betogen PS, MR en cdH) die ze historisch verwierven. Dat deden de Vlamingen door in de praktijk de algemene tweetaligheid van de Brusselse gemeentes niet langer voortdurend te willen afdwingen en zich dus te schikken in de verdere verfransing van de ‘basis’ (gemeenten en ocmw’s) van de hoofdstad.

(d) Bij wijze van besluit

De Vlaamse Volksbeweging heeft geen glazen bol. Toch kunnen we er op geen enkele manier omheen dat Franstalig België volop zijn exit uit België voorbereidt. Achter de zelfgenoegzaamheid van Vlaanderen als het gaat over de toekomstkansen van België gaat vooral veel angst schuil. Angst om vroeg of laat de beslissing te moeten nemen om te kappen met het voortzetten van de federale staat en om op eigen benen te staan. Het is namelijk in het internationale gewoel van écht soevereine en onafhankelijke staten dat men dan terechtkomt en dat vergt vanzelfsprekend eveneens politici die het provinciale niveau volkomen ontstijgen.

Hiermee zeggen we niet dat onze Vlaamse bestuurders allemaal subtoppers zijn. Maar: “Gouverner, c’est prévoir!” In de taal van Vondel: “Besturen is vooruitzien.” Dat is in elk geval niet iets dat Vlaamse politici, hoe technocratisch sommige ook zijn, lichtvaardig kunnen ontkennen. Als eerste stap naar de bewustwording van de grote taak die Vlaamse politieke elites wacht, maar die dus wat dubbel lijkt aan te voelen, dient zonder dralen over de heg te worden gekeken naar de concrete aard van de voorbereidingen die Wallonië (en Brussel) treft om Vlaanderen voor een voldongen feit te stellen als het er vroeg of laat om spant. De agenda is duidelijk: ook Vlaanderen moet zijn huiswerk dringend maken.

Terug naar overzicht